Artsenziel

Maarten de Haan 25-5-2014 17:04
Categorieën: Columns

Hij heeft het weer geflikt. Na psychiaters, voetbalcoaches, topadvocaten en politici heeft Coen Verbraak een interessante groep voor de camera weten te krijgen voor zijn televisiereeks Kijken In de Ziel. Dit keer twaalf artsen, waaronder drie chirurgen, een neuroloog, oncoloog en een huisarts.

Voor wie de serie niet kent: Verbraak is een begenadigd interviewer die gesprekken voert met professionals over hun vak. In een lege, zakelijke gespreksruimte vraagt hij ze één-op-één uit over de werkvloer, ethische vraagstukken en het soms moeilijke spel tussen intuïtie en vakmanschap.

Bij de artsen in deze serie gaat het doorgaans om leven en dood. Iedere arts blijkt een defining moment te hebben gehad. Die éne patiënt. Ze herinneren zich een casus die eindigde met euthanasie of durven hardop te twijfelen aan een behandeling die gevoelsmatig te lang doorging. De herinnering aan de gebeurtenissen tekent zich in hun gezicht terwijl zij er over vertellen.

Zoals een geïnterviewde opmerkt is het artsenberoep misschien wel het allerlaatste overblijfsel van het gildesysteem in Nederland. De kwaliteiten die de ‘eerste arts’ Hippocrates opstelde in de vijfde eeuw voor Christus voor zijn beroepsgroep worden hoog gehouden door de mensen die Verbaak spreekt . Een arts moet volgens Hippocrates ‘wellevend zijn, eerlijk, rustig, begripvol en serieus.’

In de hippocratische eed die beginnende artsen heden ten dage nog uitspreken staat de zin: ‘Ik zal zorgen voor zieken, gezondheid bevorderen en lijden verlichten.’ Juist dat ene woordje, lijden, voedt twijfels en morele dilemma’s bij artsen. Patiënten zien een goede gezondheid als een grondrecht en accepteren niet dat de dood ook een deel van het leven is. Artsen zijn geneigd daarin mee te gaan.

Wat is lijden en wat is gezond zijn? Kinderchirurg Erik Heineman wijst er op dat iemand met een ingegroeide nagel kan vinden dat hij erg ongezond is. Aan de andere kant zegt huisarts Mariëtte Hamaker: “Een mens kan reuma hebben en gezond zijn. Terwijl reuma een ernstige ziekte is.” Verbraak vraagt wat dan haar definitie van gezondheid is. Hamers somt op: “Plannen kunnen maken, binnen je eigen beperkingen tot ontwikkeling kunnen komen. Iemand kunnen zijn. Plezier kunnen hebben.”

Eenmaal gehospitaliseerd ben je een onvolledig mens, dat onderschrijven ze allemaal. Hoogleraar ouderengeneeskunde Rudi van Westendorp: “Zodra je gaat dokteren heeft dat een enorme prijs, want als mens leg je je lot in de handen van een ander.” En een collega haalt de veelzeggende titel van een boekje van ethica Heleen Dupuis over de medische praktijk aan: ‘Baat het niet, dan schaadt het wèl’.

Deze eminente, klinisch werkende artsen stellen uiteindelijk de mens centraal. Als emeritus hoogleraar neurologie Jan van Gijn hoort van een cardioloog die twintig patiënten op een dag spreekt, buigt hij zijn hoofd en verzucht: “Ik moet er niet aan denken, ik zou het niet kunnen. Dan kijk je alleen naar het hart. Dan wordt er denk ik niet gevraagd naar het gezin, naar het werk, naar de opleiding die iemand volgt. Of iemand sláápt.”

Niet alleen het adagium van ‘altijd genezen’ kent nadelen, ook het hiërarchische denken in de medische wereld. Traditioneel staan bovenaan de hiërarchie de ‘snijdende beroepen’ en onderaan de sociale dokters. De bedrijfsartsen, vertrouwensartsen, GGZ-artsen, die weer regelmatig samenwerken met beroepsbeoefenaars met een nog minder duidelijke expertise zoals GZ-psychologen en sociaal psychiatrisch verpleegkundigen.

Neuroloog Van Gijn rekende vorig jaar in zijn boek Lijf En Leed af met deze houding. Hij schreef over de vele patiënten in zijn spreekkamer met klachten waarvoor hij geen enkele lichamelijke oorzaak kon vinden. En in een interview met de Volkskrant vertelde hij hoe hij zichzelf opnieuw had uitgevonden:

De geneeskunde is nog altijd gebaseerd op organen en op beeld. Als de foto’s en de labuitslagen normaal zijn, laten artsen de zaak te vaak liggen. Dan zeggen ze tegen de patiënt: ik kan niets voor u doen. Waarop die patiënt het gevoel krijgt dat hij zich aanstelt.

Terwijl het verhaal van de patiënt heel vaak de sleutel biedt. Daar hoef je alleen maar belangstelling voor te tonen. Dan komen soms drama’s boven tafel over een kind met wie ze al twintig jaar geen contact meer hebben of over een baan waar ze na een lang dienstverband vlak voor hun prepensioen zijn uitgeschopt.

Ik geef toe dat dit inzicht wel met ervaring te maken heeft. Ik ben ook afgericht als orgaandokter en pas later gaan beseffen dat we af moeten van de scheiding tussen lichaam en geest.

Over een kijkje in de ziel gesproken.

Geschreven door: Maarten de Haan
Op persoonlijke titel geschreven
Lees meer columns

Reageer